De Duurtraining
7 augustus 2024 - Alpe d'Huez, Frankrijk
Vijf, zes, zeven uur. Tijd om na te denken is er meer dan genoeg. De waarnemingen en herinneringen die tijdens een duurtraining de revue passeren vormen dikwijls een romantisch onsamenhangend geheel.
Fase 1. De eerste paar kilometer draait het lekker, of totaal niet. Met iets teveel snelheid passeer ik de bebouwde kom van Allemont waar uitgerekend op dat moment een gendarme mensen helpt oversteken naar de wekelijkse markt. Een handgebaar dat ik moet afremmen. Ik rem. “Bonjour”. Vervolg de rit.
Fase 2. Een lange valsplat-naar-beneden-lopende-Franse-N-weg. Vakantieverkeer trekt de Alpen uit richting Grenoble. Rustig op vermogen rijden of in de slipstream mee met het verkeer? Niet veel later kan ik het patroon van het dekbed in de caravan voor me ontcijferen. Enigszins strak op de bumper, maar toch net in de wind in verband met veiligheid loopt de gemiddelde snelheid snel op.
Fase 3. De Col de la Morte. Het draait soepel. De veertien kilometer naar de dood doen mij denken aan de gelijknamige Cerro de la Muerte in Costa Rica. Eenmaal boven de boomgrens valt het zonlicht op de Vercors. Een mythisch uitzicht op de rotswand. In de berm een kantenmaaier van de gemeente die ons vriendelijk groet. Een kilometer verder een monument voor gesneuvelde soldaten in de Eerste Wereldoorlog. Elf mannen in een dorp dat hooguit honderd inwoners heeft.
Fase 4. La Mure nadert. Vlak voor het plateau op 900m hoogte bekruipt mij het gevoel van de Provence. Ik vang de geur van een lavendel plantsoen voor het ‘Mairie’ in een verlaten dorpje op en sluit mijn ogen. De zee is ver, maar toch voel ik haar aanwezigheid. Niet veel later is het contrast met de Franse leegte verdwenen in een door Nederlandse toeristen overspoelde Super U. Auto’s met dakkoffers en fietsendragers. Huilende kinderen en geïrriteerde ouders. Op het stoepje voor de ingang vullen we onze bidons, drinken we een colaatje en eten we Snickers. Er zijn er twee over. Binnen een uur zijn ze gesmolten, maar toch prop ik ze in mijn achterzakje tussen het (door de temperatuur van dertig graden) overbodige setje armstukken en mijn windbreker. Bijgetankt.
Fase 5. Terug in het niemandsland. Graanvelden waar Vincent uren kan zitten schilderen worden gescheiden door een kleine D-weg. Met oogkleppen op kan dit Noord-Frankrijk zijn. Zonder oogkleppen zie ik links een helderblauw meer en rechts scherpe Alpentoppen. Een impulsieve bordjessprint onderbreekt het ritme. Ik win een sprint voor een over twintig jaar waarschijnlijk niet meer bestaand gehucht. Iets verder staat er een vage krijtstreep op de weg met nog net leesbaar MG (Meilleur Grimpeur). Historische wielergrond? Op een T-splitsing wordt mij plots een filosofisch dilemma gepresenteerd. Rechtsaf naar Mens of linksaf naar Corps. Is het lichaam van de mens gescheiden? De la Mettrie, zou hij deze plaatsen hebben gekend? Corps it is.
Fase 6. Ik sterk mijn lichaam aan. Een kleine Vivit is groot genoeg om ons van Red-Bull en water te voorzien. Een norse Franse dame gebaart dat ik niet haar prullenbak mag gebruiken, maar die aan de overkant van de straat. Op het zebrapad onderbreek ik de bruisende verkeersstroom van de Route Napoleon. Naast de weg hangt een vaandel met het zomeravondprogramma. “Nuits avec Musiques.”
Fase 7. Het is afwachten of de cafeïne goed valt. Een lange onregelmatige klim het dal uit, met bij vlagen te veel gravillon, houdt ons scherp. De Col de l’Homme Mort laten we links liggen. Anders wordt het mij teveel. Een bijtend stuk naar 15% verleidt ons om even door te trekken, het zuur in de kuiten te voelen. Het zweet druipt langs mijn remgrepen mijn stuurlint in. Op de top volgt een dialoog met een half-overleden Fransman die de zwaardere kant van de beklimming heeft getrotseerd. De afdaling is technisch en gevaarlijk. Zwembadwater voor een haarspeldbocht zorgt voor extra voorzichtigheid met insturen. Nog één klim.
Fase 8. In het zesde uur ga je kapot of leef je op. Een waterval en de 2.5% bordjes langs de weg doen mij kortdurig opleven. Kort, omdat het einde van de beklimming steiler moet zijn om de gemiddelde stijging van 4.5% te halen. Een dorp om bidons te vullen is er niet meer. Op de top pers ik er een sprintje uit voor de fictieve bergtrui van de dag. Het juichen doet vier in de schaduw liggende wielrenners opkijken en glimlachen. De afdaling duurt altijd korter dan de klim. Vijftien jaar eerder heb ik hier leren dalen. De Col d’Ornon. De voorbereiding op Alpe d’Huzes. Rustig insturen, niet te hard remmen en de remmen laten afkoelen. Nu storten we ons naar beneden richting het huisje.
Fase 9. Speelsheid. De laatste drie kilometer demarreren we om en om zoals koeien die een wei in rennen na de winter. De pijn in de dijen doet ons lachen. Ik rij vooruit en verstop mij snel in een bushokje achter een nietsvermoedende Fransman. Mijn compagnon rijdt zonder te kijken hard door. Mijn ratelende achterwiel verraadt iets later mijn locatie een aantal meter achter hem. Na het douchen plof ik op de bank voor een avondje Olympische Spelen. Ik bedenk de term individueel synchroonzwemmer. Een mooi beroep voor op mijn LinkedIn. Het was een prachtige dag.
Foto’s
2 Reacties
-
Ton Steman:7 augustus 2024Bedankt voor jouw verhaal, geniet daar er nog even van, we zien elkaar zondag dus tot dan.
-
Monique & Peter Cijs:8 augustus 2024Herkenbare cols en wegen, mooi man!





