Oogkleppen
13 januari 2025 - Calpe, Spanje
Om me heen is het stil. Bruine akkers met scheuren in de aarde verraden het droge klimaat van de afgelopen maanden. De zon brandt fel. Mijn frame zit onder het stof en mijn dijen zijn gespannen. Ik kijk naar rechts. Een kleine vijftig meter van de weg staat een vervallen stenenhutje. Het dak een beetje ingezakt. Een gat in de muur. Een deur aangevreten door houtrot. Een stapel stenen en houtblokken in het midden van het veld, overdekt door een zeil. Niet bewoonbaar, maar prachtig. In mijn gedachten voel ik de liefde waarmee een boer hier ooit is begonnen met het bewerken van het land. Hier loopt hij met zijn paard te ploegen, geeft hij de olijfbomen water, bedekt hij nieuwe zaden met aarde.
Ik had er ook aan voorbij kunnen fietsen. Kijkend naar de getallen op mijn Garmin, naar de witte streep die het asfalt scheidt en naar het asfalt dat vervolgens weer het landschap oneindig in tweeën splitst. Als renpaarden met oogkleppen vliegen er renners voorbij. Twee aan twee, en groupe, solo, verdwaald, kapot of fris. Hier maak ik mezelf soms ook schuldig aan, maar nu zag ik het. Het stenenhutje.
Twee kilometer verder zie ik wolkenkrabbers van Benidorm als een staafdiagram omhoogsteken uit de middellandse zee. Dit contrast is niet uit te leggen aan een bewoner van vijftig jaar geleden. De grootsheid van de gebouwen en villa’s aan de kust hebben hun aantrekkingskracht, maar het binnenland ademt romantiek.
Een symboliek die me doet denken aan Metropolis. Ik weet dat ik elke rit terug moet naar het moderne bestaan aan de kust. Daar is mijn appartement, daar is het leven. Je maakt een route voor vier, vijf, zes uur in het zadel. Ik fiets ook wel eens ergens heen omdat ik dan nog het gevoel heb dat ik ergens heen fiets. Vergelijkbaar met het gevoel dat ik elke heuvel die ik verder de leegte van het binnenland inrijd dieper in het nu kom. Dichter bij de oorsprong van het bestaan. Een bordje Alcoy twaalf kilometer. Alcoy. Een nietszeggende stad die al jaren voor mij iets ongrijpbaars symboliseert. Ik ben er nog nooit geweest. Het is te doen qua afstand en tijd. Ik wil alleen dat het ongrijpbaar blijft. Alsof het gras altijd groener zal zijn in Alcoy, dat geloof wil ik niet kwijt. Ik lees momenteel de Nachttrein naar Lissabon van Pascal Mercier. Soms zou ik willen dat ik de ballen had van Gregorius Mundus. Dat ik wel van A naar B durf te gaan, in plaats van weer terug naar de al bekende bestemming.
In de stilte hoor ik mijn banden glijden over het asfalt. Platgereden druiven vormen een patroon in het wegdek. Minder mensen passeren me. De huizen lijken verlatener. De rolluiken zijn permanent gesloten. Een ledverlichting met Bon Nadal boven de weg knippert niet. Bloemen in bloembakken aan de weg zorgen voor sfeer. De fontein aan het binnenplaatsje kan mij niet helpen. ‘Non Potable’. In een klein steegje is er een winkel. Achter een rietengordijn zit een oudere man verscholen achter een toonbank, omringd door stapels dozen en producten. In mijn beste Spaans haal ik anderhalve liter water en twee Snickers. Één prop ik snel in mijn mond, terwijl de ander langzaam gaat wegsmelten tegen mijn onderrug. De oude man rekent het bedrag uit op een rekenmachine. ‘Gracias, adios!’ Buiten het dorp ben ik weer alleen.
Langzaam loopt de weg meer naar beneden dan op. De kust is niet ver meer. Renners doemen op in mijn ooghoek. Profs, toeristen, amateurs, van alles wat. Ploegleiderswagens erachter met knipperende gevarendriehoeken met ‘Ciclistas’ erop. Zouden zij ook zien en voelen wat ik zie, de zes ezels in het veld? De weg kronkelt er onhandig omheen. De betongoot naast de weg bevat de wikkel van een gelletje. Toeristen brengen dit gebied veel, maar verarmen het ook. Het landschap was ongetwijfeld mooier toen de wegen nog van de natuur waren. Toen de kust nog niet was volgebouwd met villa’s en hotels. Ik daal af.
Vlak voor mijn terugkeer in Calpe is het tijd voor een korte stop. Op mijn tafel staat een flat white. Daarnaast ligt een plak carrotcake. Aan de andere kant van het terras zit hij. Een idool. Een mythe. De Leeuw van Vlaanderen. Met een oud-Mapei petje met vloekende kleurencombinaties in een kubistisch samenspel laat hij zien nog altijd de oude renner te zijn. Met een ploegleider van een Belgische profploeg hebben ze niet veel later hoog-overleg over komend seizoen. Soms kijken ze op naar de renners die hun welverdiende koffiepauze genieten op het terras. Het geweten van de sport dat een blik werpt op de toekomst. Praten over vo2 max, het aantal koolhydraten per uur in training of gedoogde supplementen. Heerlijke gesprekken over de mooiste bijzaak in het leven: sport. Gesprekken om mij heen gaan over de start van het seizoen. Ik meng mij erin. Het gaat niet lang meer duren. De leegte van het Spaanse binnenland warmt mij op voor de leegte van de woestijn. Over twee weken zit ik tussen het kader in de Verenigde Arabische Emiraten. Misschien wel in het wiel van een renner die ik hier al talloze keren ben gepasseerd. Die renner heb ik niet opgemerkt. Dat zijn mijn oogkleppen. Het stenenhuisje is in mijn gedachten gegraveerd. Of hij dat ook gezien heeft?




Mooi geschreven Jip.